Nieuwe maatstaf nodig voor circulaire economie per 2050

https://www.trouw.nl/groen/de-duurzame-economie-heeft-een-nieuwe-maatstaf-nodig~aa05c9af/
12 juni 2017, Esther Bijlo
Interview

Ieder kwartaal kijken beleidsmakers reikhalzend uit naar hoe het met de economische groei gaat. De sterke nadruk op die cijfers gaat niet samen met de duurzame agenda van de overheid.

De economische groei moet ‘vergroenen’, Nederland moet in 2050 een circulaire economie hebben en de CO2-uitstoot moet drastisch naar beneden. Allemaal voornemens van de Nederlandse overheid, vastgelegd in een toenemende stapel rapporten. Maar vooralsnog wordt het succes van economisch beleid nog gewoon afgemeten aan de groei van het bruto binnenlands product (bbp). Dat gaat niet samen, stelt econoom Hans Stegeman. Voor houdbare welvaart zijn andere maatstaven nodig.

Stegeman is een van de weinige macro-economen in Nederland die zich bezighoudt met de gevolgen van verduurzaming voor het economisch systeem. Hij werkte lange tijd voor de Rabobank, daarvoor bij het Centraal Planbureau en sinds kort bij Triodos Bank. Intussen werkt Stegeman aan een promotie over de circulaire economie. ‘Plat’ economische groei meten en daar beleid op afrekenen, werkt niet meer, constateert hij. “Het enige dat je meet met het bbp zijn alle markttransacties. Als je wilt dat het bbp groeit, wil je dus dat we zoveel mogelijk goederen en diensten verkopen, ongeacht wat je daarna met die spullen doet en ongeacht of het zin heeft. Die benadering gaat helemaal niet samen met duurzaamheid.”

Andere maatstaven

Neem de circulaire economie. Het kabinet heeft eind vorig jaar vastgesteld dat Nederland dat in 2050 moet zijn. Dat betekent produceren met veel minder grondstoffen en energie, afval en producten hergebruiken en dat dan ook nog eens zonder de biodiversiteit aan te tasten en op een sociale manier. “In termen van bbp gaat de economie dan misschien wel krimpen. Want de bedoeling is minder spullen te verkopen, producten moeten langer meegaan, gemaakt met zo min mogelijk primaire grondstoffen. Reparatiediensten zullen wellicht toenemen, maar je voegt over het geheel minder economische waarde toe zoals je dat meet met bbp.”

Dat is niet erg, zegt Stegeman, want daar komen andere waarden voor terug. “Alle materialen die je gebruikt, worden waardevoller voor een samenleving want worden langer en beter benut. Dat leidt tot minder vervuiling, behoud van natuur en een economie die de draagkracht van de aarde niet overschrijdt, waar volgende generaties ook nog iets aan hebben. Maar beleidsmakers komen maar niet los van het ‘bbp-frame’ en prijzen de overgang naar een duurzame economie aan met de toevoeging dat het economische groei oplevert en banen. Dat weten we helemaal niet.”

Om duidelijk te maken wat die nieuwe economie dan oplevert, zijn andere maatstaven nodig. Nu is kritiek op het bbp al bijna zo oud als het bbp zelf. De maatstaf voor groei en welvaart bestaat ongeveer tachtig jaar, maar kwam pas na de Tweede Wereldoorlog in zwang als de leidende indicator voor economisch beleid. Ook los van de duurzame agenda’s vertoont het bbp in de rijke landen barsten, constateert Stegeman. “Het welvaartsniveau is inmiddels zo hoog dat economische groei niet meer direct gekoppeld is aan de ‘zachtere’ doelen: onderwijs, gezondheidszorg, welbevinden. Technisch kent het bbp daarnaast beperkingen: het meet bij voorbeeld voorraden en innovatie niet.”

Moeilijk afscheid nemen

Het bbp is dus verre van volmaakt, maar het is moeilijk afscheid nemen van zo’n bekend cijfer waar ook nog eens alle economische modellen omheen zijn gebouwd. De afgelopen twintig jaar zijn wel andere, bredere, indexen ontwikkeld. Subjectieve, zoals ‘geluk’, in het jaarlijkse World Happiness Report. Ook meer praktische zoals de ‘Better life index’ van de Oeso en ‘Quality of life’ van de EU. Beide ballen ze verschillende zaken samen: milieu, onderwijs, gezondheid en levensverwachting. Het Centraal Bureau voor de Statistiek ontwikkelde voor Nederland een ‘dashboard’, niet één getal maar een overzicht met verschillende metertjes die groen, rood of oranje uitslaan.

Al die inspanningen hebben tot teleurstelling van Stegeman nog niet geleid tot een alternatief voor het bbp. “Het is nog heel lastig om daar draagvlak voor te vinden. Er wordt dan gezegd dat er methodologische problemen zijn met andere indicatoren. Natuurlijk zijn die er, maar dat geldt ook voor het bbp. Neem die voor lief. Wordt het een mooi statistisch construct? Nee, we zitten nog in een overgang, ga er pragmatisch mee om. Het gaat er om dat je beleidskeuzes en dilemma’s helder kunt maken. Dat je kunt laten zien: op economische groei scoren we misschien minder maar daar staat wel schonere lucht, minder uitstoot van fijnstof tegenover bijvoorbeeld.”

Als het aan Stegeman ligt, valt dan wel de keuze op een samengesteld cijfer en niet op een dashboard met allemaal rondjes. “Je moet het simpel houden. Dan kun je in de taal spreken die mensen gewend zijn: de index is zoveel procentpunt beter. Dat valt makkelijker te begrijpen dan een dashboard. Die duurzame economie komt niet tot stand als we alleen naar economische groei blijven kijken. De grootste valkuil nu is dat we blijven wachten op de perfecte, nieuwe indicator. Die gaat er niet komen.”

Debat over de nieuwe economie

Samen met Pakhuis de Zwijger organiseert Trouw maandag 19 juni een debat over een duurzame economie. Onder andere econoom Hans Stegeman vertelt over het economisch systeem en hoe dat te veranderen is. Duurzaamheidsmanager Jan Kempers van Heineken belicht ervaringen uit de praktijk als grondstoffen, zoals hop, voor de toekomst veiliggesteld moeten worden. Marga Hoek, onafhankelijk expert, voorheen de Groene Zaak, overziet de pogingen om de economie vanuit het bedrijfsleven te verduurzamen. Hoe investeerders dat proces kunnen versnellen, legt Willemijn Verloop van Social Impact Ventures uit.

Ook bedrijven moeten anders gaan rekenen

Wat de overheid op overkoepelend niveau doet – vooral sturen op de groei van het bbp – doen bedrijven op microniveau met winst en aandeelhouderswaarde. Ondernemers die bredere doelen hebben dan alleen rendement kunnen daar op afgerekend worden, zie de recente vijandige overnamepogingen van Unilever en Akzo. Beide gooiden hun duurzame bedrijfsvoering in de strijd om de belagers af te wimpelen, maar overtuigden niet alle aandeelhouders daar mee.

Kennelijk is het nog lastig voor het voetlicht te brengen dat winst als leidende indicator niet zaligmakend is, net als dat voor bbp het geval is. Wat bedrijven in de overgang naar een duurzame economie te doen staat, is zo transparant mogelijk rapporteren, stelt econoom Hans Stegeman. “Die verschuiving is al gaande, dat is positief. Bedrijven hoeven niet te wachten tot de overheid een nieuwe maatstaf heeft voor economische groei.”

Het is volgens Stegeman niet nodig om alles in geld om te zetten, een methode die sommige bedrijven volgen om de ‘echte kosten’, ook de schade, van hun productie in kaart te brengen. Dan hangen ze prijskaartjes aan zaken waar nog vrijwel geen marktwaarde voor is, zoals biodiversiteit, water en lucht. “Dat maakt het heel ingewikkeld. Je komt dan ook een tijdsfactor tegen: hoe waardeer je financieel dat er voor de komende generaties ook nog voldoende natuurlijk kapitaal is? Het is praktischer vast te stellen: ik heb zoveel water minder verbruikt, dan vorig jaar of dan concurrenten. Werk met ‘best practices’, dan hoef je er geen waarde aan te geven.”

De circulaire economie levert weer andere cijferdilemma’s op. Een bedrijf dat bijvoorbeeld ‘licht’ of ‘zitten’ verkoopt en geen lamp of bureaustoel, blijft eigenaar van het product. Het is niet altijd eenvoudig vast te stellen wat die lamp of stoel en de grondstoffen daarin, over tien of twintig jaar waard zijn. Ook de verdiensten lopen anders. Niet één bedrag bij de verkoop, maar een lange reeks kleine inkomsten over jaren. Dat levert hoofdbrekens bij banken op, die op hun beurt gewend zijn aan simpele indicatoren als ‘omzet per jaar’, als bedrijven aankloppen voor een lening.

***

Frans Doorman, Manifest voor een solidaire economie.

Ons geldsysteem en het milieu (deel 1)

Weinig mensen zullen een verband leggen tussen ons geldsysteem en het milieu, vooral wat betreft de aanpak van de milieuproblemen waar onze maatschappij zich voor geplaatst ziet. Dat komt omdat vrijwel iedereen ons geldsysteem als een gegeven beschouwt, niet als iets wat veranderd zou kunnen en moeten worden. Weinig mensen realiseren zich hoe nieuw geld “gemaakt” wordt. Politici, de media, en zelfs veel economen denken dat geld gecreëerd wordt door de centrale bank, die het via private banken doorsluist naar de maatschappij. Dat klopt niet: in werkelijkheid wordt geld gecreëerd door private banken bij de kredietverlening, door een boekhoudkundige handeling. Uit het niets dus eigenlijk. Al het girale geld, rond 97% van de totale geldhoeveelheid, wordt zo “gemaakt”. Alleen de resterende 3%, bestaande uit munten en bankbiljetten, komt van de centrale bank.

Een groot nadeel van het huidige systeem is dat geldschepping en daarmee geld onlosmakelijk verbonden is met schuld: immers, geld wordt enkel gecreëerd door commerciële banken, als krediet waarover rente berekend wordt, zowel om de kosten van het geld uitlenen te dekken als om winst te maken. Er moet dus meer worden terugbetaald dan er is geleend. Dat dwingt tot groei: immers zonder groei kunnen niet én de hoofdsom én de (geaccumuleerde) rente worden terugbetaald.

Ons huidige geldsysteem dwingt dus tot voortdurende groei. Zo’n steeds maar doorgaande groei valt niet te rijmen met de eindigheid van onze natuurlijk hulpbronnen. We zullen op een gegeven ogenblik – en gezien de staat van het milieu en problemen als klimaatverandering, liefst zo snel mogelijk – naar een stabiele, stationaire economie toe moeten, waar het gebruik van eindige hulpbronnen in evenwicht is met de beschikbaarheid. Een duurzame economie en maatschappij dus. Dat valt echter op geen enkele manier te rijmen met de groeidwang opgelegd door ons geldsysteem. Kortom, voor de ontwikkeling van een duurzame economie en maatschappij hebben we een ander geldsysteem nodig.

Een tweede grote probleem van ons huidige geldsysteem is dat geldschepping enkel plaats vindt voor activiteiten die banken en hun klanten van belang vinden. In de praktijk betekent dit dat er geen geld geschapen wordt voor maatschappelijke behoeften die niet op korte termijn profijt opleveren. Dat geldt dus ook voor investeringen in het behoud van het milieu, daarbij inbegrepen het tegengaan van klimaatsverandering.

Van de private sector kan enkel verwacht worden dat men investeert in zaken die op korte termijn (maanden tot enkele jaren) of op de middellange termijn (vijf tot tien jaar) winst geven. De meeste investeringen benodigd voor de aanpak van onze milieuproblemen, en vooral klimaatverandering, leveren echter pas op de lange termijn rendement op. En dan is dat ook nog eens rendement voor de maatschappij als geheel in plaats van winst die toevalt aan aandeelhouders en managers. Omdat – ondanks alle mooie verhalen over duurzaam ondernemen en maatschappelijke verantwoordelijkheid – het bedrijfsleven onvoldoende zal investeren in de transitie naar een duurzame maatschappij. Ondernemingen zullen dat alleen doen in die zaken die op korte en middellange termijn bedrijfswinst opleveren, dus valt die rol toe aan de overheid.

De benodigde investeringen zijn groot. Alleen al de omschakeling naar een energiezuinige economie gebaseerd op duurzame energiebronnen vereist enorme investeringen, niet alleen nationaal maar vooral ook internationaal. Daar komen bij de investeringen in hergebruik van materialen, duurzamer productiewijzen, bescherming en herstel van de natuur en van landbouwgronden, en het voorkomen van dreigende zoetwatertekorten.

Het geld voor al deze maatregelen moet, in het huidige geldsysteem, worden opgebracht door de belastingbetaler, door burgers en bedrijven. Immers, de overheid heeft het recht tot geldschepping afgestaan aan de banken; de enige mogelijkheid die voor de Staat overblijft om aan geld te komen is door belastingheffing. En door lenen, maar ook dat geleende geld moet, met rente, uiteindelijk uit belastingen worden terugbetaald.

Omdat de staat al vele verplichtingen heeft, zou het geld voor de investeringen in de omschakeling naar een ecologisch duurzame maatschappij uit grootschalige belastingverhogingen moeten komen. Die zijn politiek niet haalbaar: de meeste burgers vinden dat ze nu al teveel belasting betalen. De Staat heeft dus onvoldoende geld voor het aanpakken van de milieuproblematiek. Lenen is ook geen optie: overheden hebben al hoge schulden, en als al gezegd: uiteindelijk moeten ook leningen, met rente, weer terugbetaald worden met belastinggeld.

Verandering van geldsysteem kan deze problemen oplossen. Voorstellen ontwikkeld in Nederland – onder meer door de Stichting en het Burgerinitiatief Ons Geld – en door een reeks organisaties in het buitenland, zoals Positive Money in Engeland en de American Monetary Institute in de Verenigde Staten, benadrukken dat geldschepping (weer) een publieke verantwoordelijkheid en taak hoort te worden. Een onafhankelijke publieke instelling, zoals op dit moment de centrale bank, schept het geld en brengt dat via de overheid en de gewone banken in de economie. De overheid krijgt zo de beschikking over schuldvrij geld. En daarmee tot het geld benodigd voor de investeringen in de omschakeling naar een duurzame maatschappij – zonder dat de overheid daarvoor hoge belastingen hoeft te heffen.

Geldschepping voor en door de overheid kan natuurlijk niet onbeperkt. Er mag niet zoveel vraag door ontstaan dat het productieapparaat deze niet meer aan kan, want dan zouden producenten hun prijzen kunnen verhogen en er zou inflatie op kunnen treden. De verantwoordelijke instelling kan dat voorkomen door de ontwikkeling van het prijspeil goed in de gaten te houden en er per sector voor te zorgen dat de vraag de productiecapaciteit niet overschrijdt – indien nodig door investeringen en andere bestedingen tijdelijk te beperken.

Publieke geldcreatie kent veel voordelen. Het leidt tot vermindering van zowel publieke als private schulden, tot een stabielere economie, en beperkt het risico op en de gevolgen van financiële en economische crisissen. En vooral, het staat een groter overheidsbudget toe waarmee niet alleen geïnvesteerd kan worden in duurzame ontwikkeling, maar ook in andere zaken die in werkgelegenheid en verbetering van het welzijn resulteren, zoals zorg, onderwijs en onderzoek. Door de grotere controle over de geldhoeveelheid en de bestedingen kan de overheid niet alleen investeringen in de transitie naar een duurzame maatschappij doen en bevorderen, maar ook investeringen in en productie en consumptie van niet-duurzame zaken ontmoedigen, en zo productiecapaciteit heroriënteren van de productie van niet-duurzame naar duurzame goederen en diensten.

Minstens zo belangrijk is dat overheden van landen met een sterke munt meer geld en ook kennis beschikbaar kunnen stellen aan opkomende economieën en ontwikkelingslanden om hun lokale milieuproblemen en klimaatverandering aan te pakken. Immers, een aanpak op nationaal niveau is, zeker voor een klein land als Nederland, niet meer dan een druppel op de gloeiende plaat van de mondiale milieuproblematiek. En juist in de ontwikkelingslanden is het tekort aan geld om de milieuproblemen aan te pakken het grootst. Belastinginkomsten zijn daar minimaal, en transitie naar publieke geldcreatie is in de meeste gevallen niet mogelijk of te risicovol omdat er onvoldoende vertrouwen in de staatsinstellingen en in de nationale munteenheid bestaat. Anderzijds is er in de meeste lage inkomenslanden een enorm onderbenut productiepotentieel in de vorm van een groot arbeidsreservoir van geheel of gedeeltelijk werklozen, en een nog grotere groep die bij gebrek aan beter om te overleven voor een minimaal en onzeker inkomen allerlei laag-productieve activiteiten verricht. Redelijk betalende banen in bijvoorbeeld herbebossing, waterbeheer, bodemverbetering en afval management, met name recycling, maar ook in de overgang naar duurzame energie zouden uitkomst bieden. Wel ontbreekt vaak voldoende technische en management capaciteit, maar juist ook op dat gebied zouden landen met sterke munten ondersteuning kunnen bieden.

De conclusie is dat de ontwikkeling naar een ecologisch duurzame maatschappij, en vooral de daarvoor benodigde mondiale aanpak, met ons huidige geldsysteem onmogelijk is. De oplossing van dit probleem ligt bij de transitie naar een geldsysteem waarbij de overheid toegang krijgt tot schuldvrij geld om daarmee enerzijds, in lijn met de bestaande productiecapaciteit, de benodigde investeringen in verduurzaming te doen. Publieke geldcreatie is de enige manier is om de middelen vrij te maken om de benodigde investeringen in het milieu op een voldoende grote schaal mogelijk te maken. Ook stelt publieke geldcreatie de overheid in staat te investeren in het verder ontwikkelen van de op verduurzaming gerichte productiecapaciteit, nationaal en internationaal, door grootschalige capaciteitsopbouw op technisch en management gebied.

Overigens is het wel zaak om te waken dat publieke geldcreatie niet leidt tot een nog grotere niet-duurzame consumptie in plaats van tot een adequate aanpak van de milieuproblematiek. Dat zou kunnen gebeuren door de baten van publieke geldcreatie niet voor maatschappelijke doelen in te zetten maar door te geven aan de burger – iets waar met name sommige politieke partijen snel toe zouden neigen. Daarmee is niet gezegd dat de burger helemaal niet zou mogen profiteren. Maar besluitvorming over hoe de Staat de baten aan moet wenden zal toch vooral gebaseerd moeten worden op het nastreven van het algemeen belang op zowel de korte als lange termijn.

De investeringen en bestedingen die met de transitie naar een duurzame economie en maatschappij gepaard gaan zullen in eerste instantie de economische groei doen toenemen. Maar dat is dan wel groei die bijdraagt aan het scheppen van een ecologisch duurzame samenleving. Nadat de transitie heeft plaatsgevonden en zo’n duurzame samenleving is opgebouwd wordt het met zo’n nieuw geldstelsel mogelijk om over te schakelen naar een stabiele economie, dat wil zeggen niet meer groeiende economie waarin het gebruik van hulpbronnen in balans is gebracht met de beschikbaarheid, en waarbij in de basisbehoeften van alle burgers wordt voorzien.


Frans Doorman

Frans Doorman is lid van de Stichting Ons Geld (www.onsgeld.nu) en van het Platform Duurzame Economie (www.platformdse.org), organisaties die streven naar respectievelijk monetaire hervorming en de transitie naar een duurzame economie. Hij is de auteur van meerdere boeken over geld, economie en mondiale ontwikkeling, die gratis te downloaden zijn van www.new-economics.info. Het boekje “Ons Geld”, gratis te downloaden van de genoemde websites, beschrijft in een bladzijde of 60 in helder Nederlands de wordingsgeschiedenis van het huidige geldsysteem, de problemen die het veroorzaakt, en hoe het beter kan. Het beschrijft de voordelen van zo’n systeem, bespreekt de risico’s, en geeft aan hoe de overgang plaats zou kunnen vinden. Ook beschrijft het waarom zo’n beter alternatief op dit moment nauwelijks wordt overwogen, en wat er moet gebeuren om dat te veranderen.